Immigratie en integratie

Immigratie en integratie

Een avond met Leo Lucassen

11 april 2018
 

Verslag

"Het begrip migratie is in het publieke debat verengt tot alleen het negatieve. Als je daadwerkelijk over migratie wilt praten, dan moet je ook het positieve benoemen.’’ Dat was in een notendop de boodschap van Leo Lucassen, hoogleraar sociale geschiedenis aan de Universiteit van Leiden en specialist op het gebied van immigratie en integratie. Hij ziet het als zijn taak als wetenschapper om het beladen en emotionele migratiedebat te voorzien van ratio en feiten.

Lucassen weet als geen ander hoe de emotie het debat over migratie overheerst. Als gebruiker van Twitter krijgt hij geregeld bakken gal over zich heen wanneer hij probeert enige nuance aan te brengen in de meningen die over migratie worden gespuid. Terwijl die migratie, zeker in historisch perspectief, een heel andere achtergrond kent dan veel mensen denken.

Zo verwees Lucassen het beeld dat de migratie pas na de Tweede Wereldoorlog begon naar het rijk der fabelen. ,,Als je naar de geschiedenis kijkt, dan zie je dat Nederland vanaf de 16e eeuw een belangrijk migratieland is geweest.’’ Geen wonder, stelt hij: Het toenmalige Holland was bomvol ambitie en wilde de wereldzeeën en –handel overheersen. Maar met amper een miljoen inwoners waren de handjes van migranten hard nodig om die ambities waar te maken. Die migranten kwamen destijds vooral uit Duitsland en het arme Scandinavië.

Uit historische studies blijkt dat 8 procent van de Nederlandse bevolking in 1650 in het buitenland was geboren. Voor de goede orde: in 2014 lag dat percentage op 11 procent. Ook het beeld dat het destijds vooral politieke of religieuze vluchtelingen als de Franse Hugenoten betrof, behoeft volgens Lucassen bijstelling. ,,Als je kijkt naar de samenstelling van de migranten in de periode 1600-1800, dan betrof het in verreweg de meeste gevallen arbeidsmigranten en slechts een klein percentage vluchtelingen.’’ Ook toen al was het fenomeen seizoensarbeid al bekend: in het voorjaar kwamen bijvoorbeeld duizenden Duitse arbeiders naar Nederland om te helpen bij het maaien van het gras.

Die migranten concentreerden zich vooral in de steden in Holland. Zo bestond de bevolking van Amsterdam in 1600 voor 40 procent uit mensen die in een ander land waren geboren, tegen 30 procent nu.

Denk nu niet dat de integratie in die dagen altijd van een leien dakje verliep: de verschillen in bijvoorbeeld taal en religie waren destijds al op korte afstand enorm. ,,Maar er was wél het besef dat die mensen nodig waren’’, stelt Lucassen. Het waren ook toen de migranten die het vuile of gevaarlijke werk opknapten. Zo bestond meer dan de helft van alle zeelieden en soldaten die bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie aanmonsterden uit mensen die in een ander land waren geboren. ,,Als die mensen er niet waren geweest, dan had de Nederlandse geschiedenis en economische ontwikkeling er heel anders uitgezien’’, stelt Lucassen.

Dat neemt niet weg dat ook de integratie destijds soms moeizaam verliep. Zo werden de arme en orthodoxe joden uit Midden- en Oost-Europa stelselmatig gediscrimineerd en gekleineerd. Het gevolg was dat zij slecht integreerden en geregeld hun toevlucht zochten tot criminaliteit. Joodse bendes waren destijds berucht.

In de 19e eeuw blijven de migranten weg, vooral ook omdat de Nederlandse industrialisatie maar langzaam op gang kwam in vergelijking met bijvoorbeeld het Ruhrgebied. Een piek deed zich weer voor in de Eerste Wereldoorlog, toen een miljoen Belgen naar het neutrale Nederland vluchtten. Na de Eerste Wereldoorlog, toen het neutraal gebleven Nederland er economisch aanmerkelijk beter voorstond dan het verslagen Duitsland, zochten veel arbeidsmigranten hun heil in ons land. Eind jaren dertig worden ze gevolgd door Duitse joden, die vluchtten voor het bewind van Adolf Hitler. ,,De Belgen en deze joden vormden eigenlijk de eerste ‘moderne’ vluchtelingen’’, stelt Lucassen.

Tot dan toe werd de komst van migranten vooral gestuurd door de arbeidsmarkt. Dat veranderde na de Tweede Wereldoorlog, om te beginnen door de zogenoemde dekolonisatie: honderdduizenden mensen kwamen vanuit de overzeese kolonies – om te beginnen vanuit Nederlands-Indië - naar Nederland. Hoewel de meeste van hen nog nooit in Nederland waren geweest, kregen ze de politiek-correcte naam repatrianten, alsof ze terugkeerden naar hun vaderland. Toch landden ze relatief goed: het ging vaak om hoogopgeleide mensen en ze hebben het tij mee: in de jaren van wederopbouw bloeit de economie op.

Wat dat betreft was de tweede golf migranten minder fortuinlijk: de Surinamers die in de jaren ’70, na de onafhankelijkheid van hun land, voor een toekomst in Nederland kozen. Het was in de periode van de oliecrisis en het ging beroerd met de economie, wat voor veel integratieproblemen zorgde. ,,Dat was toen wel een probleem, maar tegenwoordig hoor je bijna niemand meer over de Surinamers’’, doceert Lucassen. ,,Om migratieprocessen te begrijpen, heb je vooral geduld nodig. Je moet over een langere periode kijken.’’

En dan waren er de ongeschoolde gastarbeiders uit Zuid-Europa, Turkije en Marokko, die in de jaren ‘70 tijdelijk in Nederland zouden werken. Aanvankelijk was het een relatief kleine groep van 50.000 mensen. Maar toen de regering werd geconfronteerd met een economische recessie en de grenzen voor gastarbeiders sloot, vervijfvoudigde dat aantal, onder meer door gezinsherenigingen. De integratie van deze groep migranten verliep stroef. ,,Tijdens de recessie raakten veel gastarbeiders hun baan kwijt. Het waren mensen zonder opleiding, maar daar waren ze ook op geselecteerd’’, stelt Lucassen.

Hij verzet zich tegen het heersende beeld dat er vroeger goede migranten waren en dat ‘we’ tegenwoordig met het gajes – zoals criminele bendes - zitten opgescheept. ,,Het is een eenzijdig beeld. Ook nu nog komen veel hoog opgeleide migranten naar Nederland om te werken, vaak omdat hier geen gekwalificeerd personeel is te vinden. Maar over deze categorie migranten hoor je zelden iets in het publieke debat. Dat gaat vooral over migranten aan wie we een hekel hebben…’’

Van het historische perspectief van Lucassen is het een flinke stap naar de inburgering van nu. Toch kwamen manager Ellen Bos en docent Jan Dekker van de cursus inburgering van het Drenthe College naar het Kenniscafé om uitleg te geven over de praktijk anno 2018. Want hoe burgeren migranten vandaag de dag eigenlijk in?

Op dit moment volgen een kleine 250 migranten een inburgeringscursus op het Drenthe College. Die is verplicht na het verkrijgen van een verblijfsvergunning en dient binnen drie jaar te worden afgerond. Om het traject te bekostigen kunnen de cursisten maximaal 10.000 euro lenen, een bedrag dat wordt kwijtgescholden wanneer de cursist zijn of haar inburgeringscertificaat heeft gehaald.

Daarvoor moeten examen doen in zes onderdelen: lezen, schrijven, luisteren, spreken, kennis van de Nederlandse maatschappij en oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt. Afhankelijk van het niveau waarop migranten instromen – sommige migranten hebben geen enkele vorm van opleiding genoten – worden ze ingedeeld en klaargestoomd voor het examen.

Het blijkt een traject vol valkuilen en vooral ook regeltjes. Zo kunnen cursisten, hoe gemotiveerd ook, maximaal drie dagdelen per week naar school. Wanneer ze vaker zouden gaan, kunnen ze dit niet declareren. Ook ligt het uitstroomniveau relatief laag: Het examen ligt op een niveau waarmee iemand in Nederland als ‘laaggeletterd’ wordt bestempeld. Ellen Bos windt er dan ook geen doekjes om: wanneer een migrant slaagt, dan is hij volgens de normen van het Rijk ingeburgerd, maar dat is onvoldoende. ,,Uitstroom naar werk of opleiding gebeurd zelden.’’ Om die reden probeert haar

opleiding onder meer om aansluiting te zoeken bij Menso, de instelling in Emmen die langdurig werklozen aan een baan moet helpen.

Reacties